*

Vader, de aarde trekt zo weinig waar ik ga.
Ik ben op een berg aan de evenaar, lichter dan

in het dal waar onder een hommel’s gewicht
een klaproos buigt. Ik ben baas boven berg,

boven hellende hoogbouw, klaverpollen, stof
dat spreidt uit geklopte voordeurmatjes.

Vader, de aarde is zo nietig waar ik ga, greep
en tred zijn maanna en de maan is velevarkenskleurig.

Kom wie bekommert, god’s hond tobt met bot,
maar ik ben van alle dieren ongemoeid,

in het wijde schijnblauw, in allemansadem,
veilig, dichtbij heilig in ijstijd verlaten damp.